Èn ik ging eris op öt





1
èn ik ging eris op öt
(pst) öt (fluit) öt (klik) öt
èn ik gong eris op öt
mee m'n zakke vol mee ballekenbrij
faldrie knoldrie tjoek tjoek tjoek
èn zo gong ik naor de meid
(pst) meid (fluit) meid (klik) meid
èn zo gong ik naor de meid

2
èn d'r zaog 'k 'n malse zus
(pst) zus (fluit) zus (klik) zus
èn d'r zaog 'k 'n malse zus
èn ik zee gaode mee dè laontje in
faldrie knoldrie tjoek tjoek tjoek
èn gèf me 'n malse kus
(pst) kus (fluit) kus (klik) kus
èn gèf me 'n malse kus

3
èn d'r zaog 'k 'n zwarte kat
die nerges gin wit plèkske mir had
ès klinkklaor aon d'r gat

4
èn d'r zaog 'k 'n bonte koei
die alle daoge kalv're moes
èn ze waos toch rondlum toe

5
èn 't kusse nee dè laot ik nie
want 'nze vaoder zee 't is goed m'ne zoon
ik heb 't altè gèèr gedaon

Dit leugenliedje, dat me bijzonder dierbaar is, is het liedje dat mijn vader vaak zong. Ik nam het op in mijn Liederen en dansen uit de Kempen (Hapert 1978, blz. 298 e.v.) met een enkele variant uit Westerhoven en Geldrop. Het werd gezongen op feestelijke familiebijeenkomsten. Doordat er grimassen en geluiden bij werden gemaakt, zoals knipogen (bij de klik) en fluiten, trok het altijd aandacht en zorgde het voor hilariteit (zie ook Kroniek van De Kempen, deel 7, blz. 108). Het heeft een grotere verspreiding gekend dan ik aanvankelijk dacht. Vooral in het (zuid)oosten van onze provincie werd het gezongen; ik kon daar 11 varianten optekenen. Omdat het door mijn vader in het dialect werd gezongen en vooral ook omdat ik het in geen enkele optekening van buiten onze provincie terugvond, was ik geneigd om aan te nemen dat het een typisch lied van hier was. Dat was het ook, in die vorm tenminste. Maar de bron van het lied bleek toch elders te liggen. Ik werd op het spoor gezet door het restant van een liedboekje dat ik in een winkeltje tussen wat oude paperassen aantrof. Het boekje stamt waarschijnlijk uit het eind van de negentiende eeuw en bevat de populaire liedjes van toen. Het liedje Dirk de Leugenaar trok mijn aandacht:

Ik ging laatst over de Rijn,
ä, ijn v, ijn p, ijn,
Ik ging laatst over de Rijn,
Al met mijn klaverblaadje,
Dat zoude mijn scheepje zijn,
ä, ijn v, ijn p, ijn,
Dat zoude mijn scheepje zijn

De melodie is mij niet bekend, maar de tweede en voorlaatste regel van de strofe doen vermoeden dat daar ook iets gebeurde wat op dat klikken, fluiten en knipogen leek. Een optekening van pastoor Jan Bols (in zijn Honderd oude Vlaamsche liederen, Namen 1897) wijst ook in die richting. Op bladzijde 182 geeft hij daar:

'k kwam lestmaal over den Rijn,
- tirilijn, (gefloten) vliegenden duim -
'k kwam lestmaal over den Rijn
al met een houten lepeltje
enz.

In oudere versies van dit liedje werd er niet met een klaverblaadje over de Rijn gevaren, zoals bij Dirk de Leugenaar, maar 'al met een saly-bladertje' (zie Fl. van Duyse; Het oude Nederlandsche lied, Tweede deel, Hilversum 1965, blz. 1009). Het salieblaadje is in nog oudere liedjes een lelieblad. Het varen op een lelieblaadje had een symbolische betekenis, maar die werd niet meer als zodanig herkend, waardoor woordveranderingen als deze te verklaren zijn. Het salieblaadje op zijn beurt is in de volksmond waarschijnlijk vervormd is tot seldrie, mogelijk via 'seldrieblad'. De Gezusters Koppens te Asten zongen in hun variant:

van knoldrie seldrie tjoeketjoeketjoek

Helena Couterier te Eindhoven leerde het liedje van haar grootvader, die herder was in Hapert (zie Kroniek van De Kempen, deel 17, blz. 144). Ook bij haar vinden we de 'seldrie' terug. Zij zong:

seldrie knoldrie tjoek tjoek tjoek

In het liedje van mijn vader is dat geworden tot

faldrie knoldrie tjoek tjoek tjoek

Door het degenereren van de symboliek van het varen op een lelieblad vond men het maar gek, dat men op een (salie- of klaver-)blad kon varen. Zo iets kon niet. Het is mogelijk dat dit gegeven aanleiding is geweest voor het ontstaan van het leugenlied in zijn huidige vorm.

Overeenkomsten in de tekst duiden erop dat Dirk de Leugenaar de directe voorloper is van Èn ik gong eris op öt en zijn varianten. Ik geef hier de tekst:

1
Ik ging laatst over de Rijn,
ä, ijn v, ijn p, ijn,
Ik ging laatst over de Rijn,
Al met mijn klaverblaadje,
Dat zoude mijn scheepje zijn,
ä, ijn v, ijn p, ijn,
Dat zoude mijn scheepje zijn

2
Dan was er nog eens een hond
ä, ond v, ond p, ond,
dan was er nog eens een hond
Die liep zoo hard hij loopen kon
En raakte nooit geen grond,
ä, ond v, ond p, ond,
En raakte nooit geen grond.

Op dezelfde manier gaan de volgende strofen:

3
Toen was er nog eens een kat
Die altijd in de regen liep,
Dat beest dat werd nooit nat.

4
Dan was er nog eens een paard,
Die zeven mijlen in een uur al liep
Te spelen met zijn staart.

5
Dan was er nog eens een vrouw,
Die in de gloeiende kachel zat
Te bibberen van de kou.

6
Toen was er nog eens een boerin,
Die alle dagen tienmaal af en ging,
Het was niet anders dan tin.

7
Dan was er nog eens een schip
Dat boven in de wolken dreef
En sloeg al op een klip.

8
Toen was er nog eens een vrouw,
Die nam het schip al van de klip
En stak het in haar mouw.

9
Toen dronk ik nog eens een snap.
Ik dronk mijn glaasje lustig leeg.
Het was een Okshoofd vat.

10
Nu nog een liedeken voor het lest.
De slaap heeft mij bevangen
En nu gaan ik naar bed.

De strofe van de kat vinden we in bijna alle varianten, zij het dan met afwijkende vervolgregels. De vijfde strofe met de vrouw in de gloeiende kachel en de zevende met het schip vinden we in de Westerhovense versie.

De oudste variant van het lied gaat terug tot het midden van de zestiende eeuw. Via Duitse lezingen weten we, dat ook Ik voer laatst over zee, wil je mee, het bekende Daar zat enen uil en spon en Daar was een wuf die spon verwante liedjes zijn. Enkele strofen in bovenstaand lied wijzen daar ook op.

Harrie Franken

(Kroniek van de kempen, deel 20, Eindhoven 2001)

© Liedarchief Weebosch-Bergeijk